Wie we zijn

Paul Korenhof

Van huis uit literator en dramaturg met een grote passie voor de muziek, was gedurende vele jaren theatercriticus voor achtereenvolgens de Leidse Courant, het Leidsch Dagblad (GPD) en de Brabant Pers, waarbij hij zich steeds meer specialiseerde op het muziektheater, Daarover schreef hij ook gedurende een kwart eeuw in diverse tijdschriften, waaronder het maandblad Luister, waarvan hij tien jaar hoofdredacteur was. Hij was hoofd van de afdeling dramaturgie van De Nederlandse Opera, doceerde als gast aan diverse universiteiten, maakte een serie televisieprogramma’s over de componist Giuseppe Verdi en verzorgt al dertig jaar een wekelijks radioprogramma over opera. Hij had zitting in diverse commissies en besturen, waaronder gedurende tien jaar het hoofdbestuur van de Association Internationale des Critiques de Théâtre. Hij is auteur van onder andere de Nieuwe Encyclopedie van de Opera (2003) en eindredacteur/co-auteur van De Koninklijke Schouwburg 1804-2004.

Jan de Kruijff

De nestor van het gezelschap deed na zijn middelbare schooltijd zowel conservatorium hobo als HTS elektronica. Na een stage bij Philips volgde een studie Muziekwetenschap in Utrecht, afgerond met twee semesters Muzieksociologie in Wenen. Schreef voor Luister, de Amersfoortse Courant en was radio/tv medewerker van de RDP dagbladgroep. Was van 1961-1981 hoofdredacteur van het maandblad Disk. Tevens platenmedewerker van Elseviers Weekblad, later muziekmedewerker van Elsevier. Door zijn muzikale affiniteiten en zijn technische belangstelling specialiseerde hij zich op het gebied van ‘muziekconserven’ en de apparatuur die nodig is om deze optimaal weer te geven. Dat resulteerde in recensies en discografieën in klassieke muziek plus interviews met uitvoerende kunstenaars enerzijds en testrapporten en audiotechnische achtergrondverhalen anderzijds. In het Radio 4 programma Discotabel was hij jarenlang vast panellid. Van 1981-1997 was hij als docent Luisterpracticum en Weergavetechniek verbonden aan de afdeling Muziekregistratie van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Hij schreef ook een aantal boeken, die door Gopher werden uitgegeven (voor verdere bijzonderheden: zie de link BOEKEN). Momenteel houdt hij zich bezig met zijn memoires.

Armand van Ommeren

Achtergrond: muzikale opvoeding in een muzikaal nest, opleiding in elektrotechniek, ruim twintig jaar omroepervaring bij Wereldomroep en NOS. Schrijft sinds 1974, begonnen bij Jhr. Pieter J.H. Röell, toenmalig hoofdredacteur van Radio Bulletin. Schrijft en schreef voor o.a. PianoWereld, de NCRV-gids, HomeStudio, Disk, HVT en Luister. Dat laatste jarenlang samen met Jan Kool van wie – met toestemming van de erven – ook artikelen op deze site te vinden zijn. Heeft zich altijd onafhankelijk opgesteld en dat is iets anders dan objectief! Objectief is niemand: maakt geen geheim van zijn voorkeuren; biedt graag de argumenten waarop de lezer zijn eigen conclusies kan trekken!

Aart van der Wal

Achtergrond: studeerde piano, compositie, orkestratie en muziekgeschiedenis in Rotterdam, maar koos voor het bedrijfsleven en vervulde daarin diverse bestuursfuncties. Schreef evenals Jan de Kruijff en Armand van Ommeren jarenlang voor het audio- en muziekkatern van Luister. Na een tragische gebeurtenis in de zomer van 1998 beëindigde hij zijn bijdragen, maar inmiddels nam hij de draad weer op.

Vrolijke nostalgie

De ouverture Donna Diana van Von Reznicek, wie kent die leuke ear-opener nog? Merkwaardig hoe gedurende een halve eeuw het muziekaanbod op de radio is veranderd. Van een voorkeur in de vijftiger jaren voor het lichtere genre naast de toen nog als ernstige muziek aangeduide live-concerten is de balans omgeslagen naar de op cd vastgelegde traditionele klassieke werken met daarbij een grote aandacht voor barokmuziek als de meer toegankelijke muziek. Nu waren we vlak na de oorlog nog erg naïef, het leven was al ernstig genoeg, we leerden en zongen nog vrolijk alle liederen uit Valerius’ Gedenck Klancken en tot in de kleinste plaatsen waren de operettegezelschappen actief.

Het was toen op de radio de bloeitijd van de ouvertures Dichter und Bauer, Donna Diana, Zampa, Wilhelm Tell en Orpheus in de onderwereld, van het Nonnenkoor, het Warschau-concert, Eine Kleine Nachtmusik, de Arlésienne-suites, van de balletten Coppélia, Sylvia en Les deux pigeons, van España, de Slavische mars, de Tänzerische Suite en ga zo maar door. Wanneer horen we die muziek nog?

De programmamaker van Radio 4 is een voorstander van ongecompliceerd genieten, zoals hij in de VPRO-gids vermeldt, liefst iedere dag een Dag van de Luisteraar, want de meeste mensen willen volgens hem muziek horen die ze direct begrijpen of herkennen. Ondanks deze stelling kan hij al die vrolijke muziek blijkbaar niet meer in de archieven vinden. Nou mag dat wat het Nonnenkoor, het Warschau-concert en zelfs Mozarts Nachtmuziek betreft zo blijven, maar soms snak ik er weer eens naar om ‘jodelie-ha-ha-ha’ bij Dichter und Bauer te zingen of ‘van je ras-ras-ras gaat de koning door de plas’ bij Les deux pigeons van Messager, of je onder te laten dompelen in het Berlijnse nachtleven bij zo iets geniaals als de Tänzerische Suite van Edward Künneke.

Er zijn geen dirigenten meer als Toscanini, Fiedler of Felix Slatkin die zich helemaal op dit genre toeleggen. Sinds ongeveer 40 jaar geleden Georg Solti de ouvertures van Suppé heeft opgenomen en Fritz Reiner die van Rossini is er nog maar weinig van die klasse verschenen. Alleen Neville Marriner, Roger Norrington en het Orpheus-ensemble hebben zich nog wel eens toegelegd op Rossini. Reader’s Digest heeft zijn collectie ook nooit overgezet op cd, al mag je daarbij je wenkbrauwen fronsen, er zaten toch uitzonderlijke uitvoeringen bij die dan nog eens opgenomen en op de plaat gezet waren door RCA in zijn beste periode. Vele van die kostelijke miniaturen vervelen minder snel dan al die barokmuziek van duizend in een dozijn. Die vormt dan zeker, zoals de programmamaker beweert, de achtergrondmuziek die artsen tijdens hun drukke werkzaamheden prefereren.

Nadat Chailly wereldwijd de Jazz-suite van Sjostakovitsj populair had gemaakt zou je denken dat dit een stimulans voor de platenindustrie zou zijn om weer eens wat vrolijke stukken op cd te zetten. Maar blijkbaar zijn er geen orkestleiders meer die nog belangstelling hebben voor die stoffige ouvertures uit het 78-toeren tijdperk. De jonge dirigenten willen allemaal zo snel mogelijk overgaan op Mahler. Zelfs van zoiets opbeurends als Gaîté Parisienne staat mij geen recente uitvoering bij. Gardiner met Die Lustige Witwe, Plasson met Chabrier, Bartoli met Rossini en von Otter met Offenbach zijn uitzonderingen.

Toch bestaat de belangstelling voor al die vrolijke muziek van weleer nog wel degelijk maar zij is merkwaardigerwijs geheel overgenomen door de vermaakindustrie. Voor leuke ouvertures en zelfs voor de Jazz-suite moet je gaan naar André Rieu of een van die promenadeconcerten die tegenwoordig overal in hallen of in de open lucht worden georganiseerd. Dat betekent dat de radio niet voldoet omdat men niet gaat wachten op een sporadische uitzending tussen al die andere muziek door, in één van die totaalprogramma’s.

Het enige wat de radio daar tegenover kan stellen is om in de archieven te duiken en eens te laten horen hoe geweldig die muziek kan klinken in een eersterangsuitvoering. Een programma met onder andere de Slavische Mars door het Concertgebouworkest onder van Kempen of weer eens de volledige Gaîté Parisienne onder Fiedler en Radio 4 heeft er weer duizend gelukkige luisteraars bij.

Snaarinstrumenten


Tokkelinstrumenten

CIMBAAL

Het Cimbaal is van de familie van snaarinstrumenten. Het grote cimbaal wordt al bespeeld sinds de 16e eeuw, tussen de 18e en de 19e eeuw (1870) werd hij gemoderniseerd, door het lagere register uit te breiden, om te gebruiken voor solo cimbaalconcerten in alle soorten muziek.

Het hoge niveau van de magische klank van het cimbaal wordt bereikt door het spel van Roemeense en Hongaarse cimbalisten.
Het cimbaal bestaat in drie maten:

  • Groot: 145/77cm (groot cimbaal concert)
  • Medium: 115/58 (medium cimbaal)
  • Klein: 85/s45cm (klein cimbaal of (tambal-mic)
    Bespelen gebeurt met behulp van hamertjes (stokjes).

De Orgels

HET ORGEL

Het orgel is een heel bijzonder blaasinstrument. Het is verwant aan de doedelzak en heeft zich daaruit al in de Romeinse tijd ontwikkeld door de toevoeging van een speeltafel. In de middeleeuwen bestond deze speeltafel uit een reeks schuifjes die men kon uittrekken, later ontwikkelde zich het in een klavier met toetsen. Als men de toetsen van de speeltafel indrukt, wordt er lucht in bepaalde buizen geblazen, door middel van een ingewikkeld mechaniek. Vroeger kwamen er blaasbalgen aan te pas (al dan niet handmatig bediend) maar tegenwoordig wordt dat windwerk steeds meer elektrisch bediend. De meeste speeltafels hebben drie rijen toetsen (klavieren of manualen). Links en rechts van de klavieren zitten talrijke knoppen waarmede bepaalde registers ingeschakeld kunnen worden: sommige registers klinken als violen, andere als zangstemmen of blaasinstrumenten. Ook met de voeten kan men nog toetsen indrukken, het voetklavier noemt men pedaal. In het inwendige van een orgel staan de orgelpijpen op zg. windladen, waardoor de lucht wordt aangevoerd. De pijpen zijn vervaardigd van een speciaal soort metaal – het geringste deukje in een pijp doet deze vals klinken -, er zijn echter ook houten pijpen in een orgel aanwezig.
De moderne elektronica heeft de ontwikkeling van de huisorgels mogelijk gemaakt, zodat men ook thuis op een dergelijk muziekinstrument kan spelen. Strikt genomen zijn deze instrumenten geen blaasinstrumenten meer, omdat de opwekking van de toon geheel langs elektronische weg geschiedt

ORGELS

Het orgel in de Grote of St. Jeroenskerk te Noordwijk werd in 1840 gebouwd door de Amsterdamse orgelmaker Hermanus Knipscheer II. In 1904 breidde Gerrit van Leeuwen het orgel uit met een vrij pedaal en werd tevens een aantal registers vernieuwd, t.w. de Trompet 8′, Prestant 8′(BW) en Viool di Gamba 8′. De oorspronkelijke Gemshoorn 4′ op het Bovenwerk werd in 1950 door Willem van Leeuwen Gzn. vervangen door een Scherp. Tijdens de laatste restauratie door de firma Flentrop zijn alle bovengenoemde registers gereconstrueerd, evenals de klaviatuur, mechanieken en kanalisatie. Van het pedaal uit 1904 werden de windlade en enig pijpwerk opnieuw gebruikt. De Fagot 16′ is nieuw.

De piano

DE PIANO

De piano is een snaarinstrument uit de citer familie dat bespeeld wordt door middel van een klavier. De originele naam is eigenlijk pianoforte, wat letterlijk zacht, hard betekent, waarmee aangegeven werd dat er hard en zacht op te spelen was, iets dat bij de toenmalige klavecimbel (een van zijn voorlopers) niet mogelijk was.

Door het neerdrukken van een toets wordt een hamer tegen de snaren geslagen. Bij elke toets horen een of meerdere snaren. Als de toets niet ingedrukt is rust er een blokje vilt tegen de snaren, zodat het geluid wordt afgedempt. Verder heeft de piano doorgaans twee pedalen, één die het alle dempers van de snaren licht en één die alle hamers iets dichter bij de snaren brengt, waardoor bij een aanslag de toon zachter is.

De piano heeft 88 of 85 toetsen, met een bereik A1-C8 of ”A – c””’ zeven octaven plus een terts.
Een vleugel is een piano waarbij de snaren niet vertikaal in de klankkast maar horizontaal zijn opgesteld.
Het stemmen van een piano is een klus die de bespeler – de pianist – doorgaans niet zelf verricht. Dit is werk dat door een vakman gedaan moet worden.

Toetsinstrumenten

Toetsinstrumenten

TIJDBALK TOETSGEAR

De diversiteit in toetsinstrumenten
Er is een grote diversiteit in toetsinstrumenten. We onderscheiden in deze tijdbalk drie belangrijke hoofdgroepen. Ten eerste: de oudste toetsinstrumenten behoren technisch tot de blazers (balgblaaslucht), namelijk de orgels. Ten tweede: De toetseninstrumenten waarbij de klank door middel van snaren wordt voortgebracht, waarvan de piano de belangrijkste exponent is. Ten derde: elektronische toetsinstrumenten, waartoe het elektrische orgel, keyboards en keyboard-synths gerekend worden.

980: Het toetsorgel van Winchester


Windorgels bestonden reeds enkele eeuwen voordat onze jaartelling begon. Eén van de oudste bekende orgels met toetsen, is het (dubbel)orgel van het klooster van Winchester, Engeland. Het stamt uit 980 en telde 2 x 20 toetsen, 26 blaasbalgen en 400 pijpen.

1100-1200: Orgel ingeburgerd in Europese kerken


In de periode 1100-1200 raakt het orgel ingeburgerd in Europa en het is tot op de dag van vandaag niet meer weg te denken uit christelijke kerken. Tussen 1600 en 1750 zijn het met name de orgelbouwers uit Nederland en Noord-Duitsland die de trend bepalen.

1300-1400: De piano is per slot van rekening een snaarinstrument….


De piano heeft toetsen, maar omdat er hamertjes op snaren slaan, is het qua techniek een snaarinstrument. Snaarinstrumenten zijn zo oud als de weg naar Rome en misschien wel ouder ook. Via getokkelde instrumenten evolueerden snaarinstrumenten uiteindelijk tot instrumenten met toetsen, zoals de clavichord en het klavecimbel, overigens nog altijd een plukinstrument (met een soort plectrum dus).

1709: Christofori bouwt eerste echte piano
Bartolomeo Christofori (1655-1731) uit Padua bouwt de eerste echte pianoforte (piano). Dat wil zeggen dat de toetsen geen plectrum meer in werking stelden om de snaren te ‘betokkelen’. Nee, Christofori koos voor hamertjes die op de snaren neerkwamen. Dit had een andere klank tot gevolg en bovendien kon de bespeler veel meer dynamiek in zijn spel leggen (het verschil tussen hard en zacht ofwel subtiel en woest): niet voor niets betekent piano ‘zacht’ en forte ‘luid’. Gottfried Silbermann en Johann Stein vervolmaken de techniek van Christofori korte tijd later door onder meer een mechaniek te ontwikkelen dat voorkomt dat de hamer van de snaar terugslaat. In 1783 wordt voor het eerst de piano voorzien van een pedaal.

1822: Balgblaas toetsinstrument op de buik


Friedrich Buschmann vindt in Berlijn de handaeoline ofwel accordeon uit, een instrument als een trekzak met voor de linkerhand een rij knoppen voor de bastonen en voor de rechterhand een toetsklavier om de melodielijn te kunnen spelen.

1835: Heinrich Steinway bouwt zijn eerste piano


Heinrich (later Henry) Engelhard Steinway wordt geboren in de Duitse stad Wolfshagen in 1797. Nadat hij een piano voor zijn vrouw had gebouwd als huwelijksgeschenk, begon deze meubelmaker in 1835 in Seesen, Duitsland met het bouwen van piano’s. Nadat hij er in Duitsland 482 had gemaakt, verhuisde Heinrich in 1853 naar de USA en vestigde hij in maart van dat jaar zijn bedrijf in een schuur in Manhattan. In augustus leverde Heinrich met zijn zonen (Steinway & Sons) zijn eerste ‘Amerikaanse’ piano af in zijn nieuwe moederland, een instrument met serienummer 483. De Steinway piano’s domineren tot aan de dag van vandaag de concertzalen voor klassieke muziek vanwege hun typerende klankkleur.

1842: Harmonium uitgevonden
De Franse firma Debain patenteert de vinding van het harmonium. In de VS werden in de hoogtijdagen jaarlijks 15.000 stuks gemaakt voor kleine kerken.

1887: Torakusu Yamaha doet van zich spreken
Torakusu Yamaha bouwt in Japan zijn eerste (riet)orgel en zet daarmee als instrumentbouwer zijn eerste schreden in het vak, voetstappen die zullen leiden tot het ontstaan van veruit het grootste concern in de muziekindustrie. In 1897 gaat de Yamaha company officieel van start en worden ook voor het eerst orgels geëxporteerd, in 1899 gevolgd door de productie van de eerste grand piano. De eerste pijporgels bouwt Yamaha in 1932, vleugels en piano’s volgen en na de 1950’s gaat Yamaha elektrische orgels, piano’s en – nog later – keyboard synths maken en zal daarmee uitgroeien tot de belangrijkste producent van toetsinstrumenten voor de moderne muziek.

1899: Elektronische geluidsopwekking van orgel
Duddel wekt op puur elektronische wijze geluiden van een pijporgel op.

1906: Voorloper van de synthesizer (1)


In de VS bouwt Thaddeus Cahill zijn Dynamophone die ook wel Telharmonium wordt genoemd, een 200 ton zware voorloper van de synthesizer. Cahill presenteert het zogenaamde harmonium, een immens orgel dat werkte met de dynamo techniek van Faraday, drie jaar later aan het publiek. Hij was min of meer de eerste die de elektromagnetische techniek toepaste om een toongenerator te maken. Cahill krijgt veel publiciteit, maar het ding raakt snel in de vergetelheid.

1928: De eerste plaat met boogie woogie piano


De song ‘Boogie Woogie’ van pianist Pine Top Smith verschijnt in december 1928 op de plaat en hiermee wordt een nieuw genre in het pianospel geboren, de boogie woogie dus. Het is een ritmische, dynamische manier van piano spelen, ontstaan op gebrekkige piano’s in ruige Amerikaanse bars (barrelhouses). Pas aan het einde van de 1930’s breekt de boogie woogie door naar een wat groter publiek. Pine Top Smith maakt dit niet meer mee. Hij laat het leven in zo’n barrelhouse als bij tijdens een vechtpartij door een kogel wordt getroffen.

1931: Lang doorklinkende toetsen


In Berlijn wordt de Neo-Bechstein van Bechstein ten doop gehouden. Het is een elektrische piano waarbij de toets na het indrukken extra lang blijft doorklinken.

1932: Voorloper van de synthesizer (2)


Friedrich Trautwein komt met het Trautonium, een elektrisch instrument, dat gezien wordt als een voorloper van de synthesizer. Telefunken gaat het apparaat in iets gewijzigde vorm produceren in een oplage van circa 70 exemplaren. Een bekende bespeler wordt Oskar Sala. Sala kwam met een polyfonische versie van het instrument en noemde dat het Mixturtratonium. Het is door Sala bespeeld te horen in de Hitchcock-filmklassieker ‘Birds’. Tevens wordt dit jaar de eerste ritmische synthesizer geboren, de Rhytmicon, door Cowell en Thermen ontwikkeld. Hij wordt veel later gebruikt door Joe Meek in de film ‘Dr. Strangelove’.

1933: Lloyd Loar richt Vivi-Tone op


Lloyd Loar was een legendarische man. Hij speelde mandoline en ontwierp voor Gibson aan het begin van de 1920’s een toplijn van mandolines en de legendarische archtop jazzgitaar L-5. Ook bouwde hij een massieve elektrische viool en een zingende zaag. In november 1933 richtte Lloyd Loar met een aantal partners in Kalamazoo, Michigan USA de Vivi-Tone Company op. Dit bedrijf deed zeer vroege experimenten met een elektrische piano, de zogenaamde Vivi-Tone Claviers. De vinding vond geen aansluiting bij muzikanten en in 1938 keerde Loar ietwat teleurgesteld Vivi-Tone de rug toe en werd hij muziekleraar.

1934: Laurens Hammond krijgt patent


De Amerikaanse uitvinder Laurens Hammond krijgt patent op het toonwielorgel dat later door het leven zal gaan onder de naam Hammond orgel. In 1949 komt zijn populaire M3-orgel in productie. Het Hammond orgel wordt populair als huisorgel, maar wordt ook gebruikt in kerken en volop omarmd door pop- en jazzmuzikanten. In 1935 koopt auto-industrieel Henry Ford het eerste toonwielorgel van Hammond, er zullen er in de halve eeuw die volgt nog ongeveer een miljoen ‘over de toonbank’ gaan.

1950: Elektrische piano’s
In 1950 komen de eerste echt elektrische piano’s op de markt, piano’s dus die voorzien zijn van een element. In de loop van de 1950’s worden elektrische piano’s ontwikkeld die een legendarische naam krijgen. In 1959 komt Rhodes met de Rhodes Pianobass, een voorvader van de veel beroemdere Fender Rhodes piano. Ook Wurlitzer doet van zich spreken met elektrische piano’s, beroemd gemaakt door onder anderen Ray Charles. In het algemeen brachten deze elektrische piano’s klanken voort doordat hamertjes tong-membramen aanslaan (en dus geen snaren).

1964: De introductie van Moog en Mellotron


In 1964 worden twee belangrijke toetsinstrumenten gelanceerd. Beide zullen ze een voorname rol spelen binnen (met name) de populaire muziek van hun tijd. Robert Moog presenteert zijn synthesizer aan de wereld. Hij doet dat tijdens de AES Convention van 1964. In 1963 werkte hij samen met Herb Deutsch aan een spanningsgestuurd principe voor kunstmatige geluidsopwekking. Deze modulaire systemen en die van Buchla zijn eigenlijk de eerste echte synthesizers. Een paar jaar later komt Moog met zijn kassucces de Mini Moog. Ook in 1964 wordt de Mellotron Mark II gepresenteerd, een belangrijk toetsinstrument (met zogenaamde tape samples) dat op veel platen wordt gebruikt en één van de karakteristieke instrumenten is van de psychadelische rock. Onder de vele prominente gebruikers bevindt zich onder meer Brian Jones van de Rolling Stones.

1983: De DX-7 van Yamaha
Yamaha komt met de digitale synth DX-7, een mijlpaal in de synth historie, vooral omdat het de eerste betaalbare digitale, goed bedienbare synth is. Het apparaat betekent voor Yamaha de doorbraak naar de elektronische muziek. In de ruim vier jaren van productie worden liefst 160.000 exemplaren van de DX-7 afgezet. Illustere gebruikers van de DX-7 zijn artiesten als Tony Banks van Genesis, The Cure, Talking Heads, Stevie Wonder, U2, Michael Jackson, Herbie Hancock, Jon Lord van Deep Purple en George Duke. De DX-7 is de eerste digitale synth die gebruik maakt van de zogenaamde FM-synthese (ofwel frequency modulation), een vinding van de Amerikaan John Chowning. De DX-7 kan beschouwd worden als het populairste muziekinstrument van de 1980’s. Ook in 1983 komt Tom Oberheim komt met de synthesizer Oberheim OB-8. Het is een 8-stemmige polyfonische synth, die gekoppeld kan worden met onder meer een drummachine. Het is een eveneens baanbrekend instrument dat gebruikt wordt door onder anderen Depeche Mode, Jimmy Jam van The Time en Janet Jackson, Geddy Lee van Rush en Tangerine Dream.

Wordt vervolgd…..
Deze Tijdbalk Toetsen wordt nog verder uitgebreid en ook daarna bijgewerkt indien hiertoe aanleiding is.

Bronvermelding: Indien je deze tijdbalk gebruikt (uitsluitend voor niet-commerciële doeleinden) of eruit citeert, Music Maker als bron vermelden.
Samenstelling: XF Media BV in opdracht van Music Maker.

 

Blaasinstrumenten

BLAASINSTRUMENTEN
Een Blaasinstrument is een instrument dat geluid voortbrengt door een trillende luchtkolom.
Blaasinstrumenten kunnen onderverdeeld worden op basis van de manier waarop de luchtstroom gebruikt wordt.
Labium
De meeste instrumenten die met fluit aangeduid worden waarbij de luchtstroom op een scherpe rand (het labium) gericht wordt.
Blokfluit, Dwarsfluit, Panfluit, piccolo
Riet
Instrumenten waarbij het geluid met één of meerdere rieten wordt veroorzaakt.
Enkel riet, Riet tussen lip en mondstuk
Klarinet en Saxofoon
Dubbelriet
Riet tussen beide lippen
Hobo, Fagot, Schalmei
Riet in afgesloten ruimte (mond / zak / kap)
Doedelzak, Kromhoorn, Pommer, Engelse Hoorn
Doorslaande tong
Een – meestal metalen – strook materiaal, een tong, kan heen en weer bewegen door een nauwsluitende opening in een plaat. De toonhoogte die de tong veroorzaakt kan veranderd (gestemd) worden door de tong aan zijn tip te verzwaren of wat lichter te maken.
Accordeon, Bandoneon, Concertina, Harmonium, Mondharmonika, Trekzak
Lippen
Door een luchtstroom tussen de lippen door in een mondstuk te persen worden de lippen zelf in trilling gebracht.
Alpenhoorn, Bugel, Cornet, Euphonium, Flügelhorn, Hoorn, Jachthoorn, Klaroen, Trombone, Tuba, Sousafoon, Trompet, Zink